Zweedse lappenhond

De Lappenhond heeft als originele benaming de ‘Swensk Laphund’ en behoort tot de rassengroep van de Scandinavische wakende en hoedende Keeshonden. Hij stamt af van de honden die door de Lappen gehouden werden. Deze Europeanen leefden in een gebied dat Lapland heette, waaronder gebieden zoals Zweden, Finland en delen van Noord Rusland en Noorwegen vielen. De Lapland Honden, zoals zij eens werden genoemd, werden door de Noren naar Engeland gebracht. De honden van de Zweden werden bekend als de Zweedse Lapphund en de honden die bij de Finnen verbleven werden bekend als de Finse Lapphund. De FCI erkende beide honden als een apart ras. Ze zijn voornamelijk bruikbaar als trekhonden en passen zich goed aan als herders van rendieren.

Een Lappenhond uit een goede lijn gaat goed om met andere honden en is ten opzichte van kinderen zeer verdraagzaam. Vreemden worden wel aangekondigd, maar daar blijft het dan ook bij. Eigenlijk is deze Zweed tegen iedereen vriendelijk.

Hij is levendig, waakzaam, volhardend, vriendelijk, toegewijd en leert snel en gemakkelijk.
In de ruiperiode kan een herdersharkje een uitkomst zijn als de ondervacht begint uit te vallen.

Hij heeft een rijkelijke bovenvacht, dichte, zachte ondervacht. Recht, aan basis fijn gekruld, ondervacht buitengewoon fijn gekruld. Kort op hoofd, voorzijde benen; lang op borst, achterzijde dijen en staart. Haar moet lang zijn en een kraag vormen om de hals.

Komt uit: Zweden.
Ontstaan in: 19e eeuw
Gewicht: 19 – 20,5 kg
Kleur: Leverkleur, zwart, lever-wit, zwart-wit.
Vacht: Rijkelijke bovenvacht
Levensverwachting: 12 – 13 jaar
Aard: Levendig, waakzaam, volhardend, vriendelijk, toegewijd.