Australische Terrier

Ondanks zijn kleine formaat was de Australische Terriër van onschatbare waarde voor de vroege kolonisten in het ruige Australië. Hij is ontstaan uit allerlei terriërs, onder andere de oude Rough Coated Terriër uit Engeland. Hij was zowel gezelschapshond, ratten- en slangenvanger als waakhondje. Met hun zelfverzekerde aard en sobere, stoere lichaamsbouw konden deze hondjes hun taken goed aan. De vacht is weerbestendig. Ze zijn gemakkelijk in de omgang en houden veel van hun baasje of vrouwtje. De Australische Terriërs van nu zijn overal op hun plaats, zowel in de stad als erbuiten.

Op voorwaarde dat het kind de hond niet plaagt, zullen hond en kind prima met elkaar overweg kunnen. Vreemden daarentegen zullen de honden niet zonder meer accepteren, maar overdreven argwanend zijn ze nu ook weer niet. Visite wordt hoe dan ook aangekondigd. Leer ze al op jonge leeftijd met katten om te gaan, zodat ze ook met deze dieren later zonder grote conflicten kunnen samenleven.

De opvoeding van de Australische Terriër moet strikt gebeuren omdat deze zelfverzekerde vrijbuiter er soms geheel eigen ideeén op na houdt. Het zijn relatief snelle leerlingen.
Het aanpassingsvermogen van de Australische Terriër is uitstekend, maar hij is pas in zijn element als hij lekker kan ravotten.
De beharing is hard, recht en ongeveer 6 cm lang; de kuif is zacht.

Komt uit: Australië.
Ontstaan in: 19e eeuw
Gewicht: 5 – 6 kg
Kleur: Tan, goud, zwart
Vacht: Lange vacht
Levensverwachting: 14 jaar
Aard: Moedig, energiek en vol vertrouwen